Tilburg University kiest voor PULSE Core

De Tilburg University bezit een uitstekend gebouwbeheersysteem, maar zelfs hier roept het binnenklimaat af en toe vragen op. Met PULSE Core geeft SPIE Nederland (voorheen Strukton Worksphere) de antwoorden.

Op de campus in Tilburg staan ruim twintig oude en ook nieuwere gebouwen. Het beheer en onderhoud hiervan wordt bestierd door technisch projectleider Jan Baartmans (Tilburg University). De universiteit heeft bewust een heel kleine technische dienst. Het operationele beheer en dagelijks onderhoud is uitbesteed aan vijf tot tien technisch specialisten van SPIE Nederland.

 

Ook al werkt het gebouwbeheersysteem Priva naar behoren en kun je daaruit van alles over het binnenklimaat opmaken, toch komen er weleens klachten binnen. Vooral over de temperatuur en de al dan niet frisse lucht kunnen de meningen behoorlijk uiteenlopen. Of de gemeten waarden worden verschillend geïnterpreteerd. Vandaar de inzet van de uitgebreide, draadloze comfortsensors in combinatie met PULSE Core.

Overzichtelijk en onafhankelijk

De universiteit heeft zelf sensoren om de temperatuur, luchtvochtigheid en Co2 te meten, maar SPIE meet met deze moderne generatie sensors ook geluid en licht en brengt die samen in de comfortmodule van het PULSE Core-platform. Dan ontstaat er ineens een veel duidelijker beeld van een ruimte, van wat daar exact gebeurt en van de ervaren klachten.

Baartmans: “Het comfort is een van de belangrijkste aspecten waar de metingen om draaien. Daarover krijgen we vanuit PULSE Core een rapportage die heel erg overzichtelijk is, onafhankelijk, goed benaderbaar en ook goed leesbaar voor de leek. Er wordt ook meteen aangegeven wat wel en niet binnen vooraf ingestelde grenswaarden en de Arbonormen valt. Wat dat betreft vallen we meestal goed binnen de normen en regels.”

“Als mensen Arbo-gerelateerde klachten hebben, van ogen, keel of slijmbeurzen, verrichten we een technische meting op werkplekniveau. Soms hebben mensen met bijvoorbeeld contactlenzen een hogere luchtvochtigheid nodig dan wij kunnen bieden. Door de metingen met PULSE Core kunnen we laten zien wat er wel en niet goed is en waar je Co2-gehalte of piekbelasting net te hoog is. Met behulp van PULSE Core geeft het team daarvoor adviezen en als we weten welke range we nodig hebben, kunnen we meteen naar een oplossing zoeken.”

“Zo kunnen we soms ook weerleggen dat klachten worden veroorzaakt door ons klimaatsysteem. Ik vind het vooral belangrijk dat we naast de normen en Arbo-adviezen een zuivere, onafhankelijke meting kunnen leggen. Als het niet goed zit, moeten we daaraan werken. Soms zit je met de luchtvochtigheid wel binnen de Arbonorm, maar is het volgens een Arbo-deskundige niet voldoende voor een betrokkene. Dan kijken we of we lokaal extra kunnen bevochtigen of een andere gerichte actie kunnen uitvoeren.”

Tilburg University kiest voor PULSE Core
Het comfort is een van de belangrijkste aspecten waar de metingen in Tilburg University om draaien.

De onderzoeken met PULSE Core zijn vooral gericht op het comfort van de medewerkers. Studenten klagen namelijk niet vaak en zitten zelden lang op één plek. De comfortsensors worden verder ook geplaatst in bijvoorbeeld archiefruimten, waar een constante temperatuur en luchtvochtigheid essentieel is. Of als na een lekkage in een boekenarchief gemonitord moet worden of de luchtvochtigheid weer op een goed niveau is.

Ronde schijven

In de praktijk is het beheertechnicus Marco van Bijnen die samen met zijn team van Strukton met de sensors in de weer is. In de te onderzoeken ruimte legt hij meestal twee stuks op een hoogte van een à anderhalve meter. De ene in de buurt van een raam en de andere bij een werkplek. Van Bijnen: “Het zijn ronde schijven die een aantal weken blijven liggen, waarna de verzamelde data in de comfortmodule goed aangeven of de klachten terecht zijn. Of de ruimte nu te warm is, of de luchtvochtigheid te hoog, je bouwt door de koppeling van de comfortsensors met PULSE Core een mooie dataset op om dat te analyseren.” “Het is wel opmerkelijk”, vult Baartmans aan, “dat mensen die weten waar die sensors liggen soms proberen de meting te manipuleren.” Door de verscheidenheid aan meetgegevens wordt ook dat echter door PULSE opgemerkt. “Deze sensoren”, vervolgt Van Bijnen, “detecteren ook decibellen en licht. Daaraan kun je precies zien hoe vaak de mensen op een kantoorkamer zijn.”

De winst van de comfortsensors is voor Van Bijnen zonneklaar. “Zo zie je echt wat de temperatuur in zo’n ruimte doet. Aan de muur hangen ook com-setjes van Priva die de temperatuur meten en regelen. Als daar echter een kapstok voor staat, krijg je al een andere temperatuur. Dankzij de sensoren meet je dat veel nauwkeuriger. Door de com-set zie je verder of een medewerker zich wel aanmeldt en samen met PULSE Core kun je dan achterhalen hoe iemand handelt.”

Lastige klachten worden vaak pas dankzij PULSE Core opgespoord. Van Bijnen: “Zo was er een klacht over een receptieruimte, die uiteindelijk veroorzaakt bleek te worden door het elektrisch kacheltje van een medewerker. Een collega die daar de volgende ochtend aan de slag ging, vond de ruimte nog veel te warm. Dat was de achtergebleven warmte van dat kacheltje. Het lag niet aan onze installatie. Dat is dus een extra menselijke handeling, terwijl het systeem doet wat het moet doen.”

Comfortsensors en vernieuwde PULSE Core-platform beantwoorden veel vragen

“PULSE Core kijkt daarbij ook nog hoe de buitentemperatuur op dat moment was en dat krijg je allemaal terug te zien in een mooie rapportage. Met heldere grafieken en eventueel met een advies. In dit geval was het een kwestie van de mensen vertellen dat de installatie er weinig aan kan doen. Verder is die receptie gevestigd in een vrij kleine ruimte in een ouder gebouw, waar je niet makkelijk kunt koelen. Voor hen komt er nu een nieuwe ruimte.”

Diep

Een andere klacht betrof een te benauwde collegezaal, waar PULSE Core liet zien dat de temperatuur en CO2-waarden snel opliepen. Uiteindelijk bleken er twee keer zoveel stoelen te staan als bedoeld was voor de installatie in die ruimte. Inmiddels is de connectie tussen PULSE Core en Priva al wat verder gevorderd en kan er heel ‘diep’ in bepaalde ruimten worden gekeken, aldus Van Bijnen. Ook kan er goed worden teruggekeken in de geschiedenis. Het betreft dan steeds de werktuigbouwkundige installaties, zoals de verwarming, koeling en luchtbevochtiging. De elektrische systemen staan erbuiten. De waarde van PULSE Core, zo vertelt Van Bijnen, is ook al aangetoond bij gebouwen met luchtbevochtiging. “Soms zie je uit de gegevens van Priva dat het met de luchtvochtigheid goed gaat, terwijl de sensoren een afwijking opmerken. Dan gaat er een monteur naar die locatie voor een inspectie en blijkt dat een stoombevochtiger toch niet aan staat. Die storing had Priva er moeten uithalen, maar gelukkig bemerkte PULSE Core deze alsnog.” Ook heeft Baartmans dankzij PULSE Core bepaalde klachten beter weten te doorgronden. “Zo kwamen er veel klachten over een ruimte die te koud bleef. Op basis van de hoeveelheid energie die we erin stopten, was te zien dat we het toch niet zo goed hadden ingeregeld.”

Acteren met intelligente data

“In de toekomst kunnen we met PULSE Core het systeem nog beter en fijner inregelen”, gaat Van Bijnen verder. “Nu zijn het nog twee losse systemen, waarbij de storingen via Priva wel bij PULSE Core binnenkomen. Dan logt PULSE Core in om te kijken wat er aan de hand is, maar trekt er nog geen intelligente data uit om meteen te acteren.” “Daar zijn we wel samen met SPIE mee bezig”, besluit Baartmans. “Met een koppeling tussen Priva en PULSE Core kun je bijvoorbeeld door middel van het bewaken van grenzen automatisch meer ventileren. Ook ontstaan er zo betere mogelijkheden voor het voorspellend onderhoud of het reguleren op basis van de weersverwachting. Op die manier begin je misschien al ’s nachts met koelen. Priva en PULSE Core kunnen elkaar daarbij mooi aanvullen.”

 Dit artikel komt uit het Duurzaam Gebouwd Magazine #48, dat ook digitaal is verschenen.

Bericht delen

Bekijk ook

Sensortechnologie bij Carmelcollege

Hoe comfortabel en gezond is het voor de leerlingen in onze klaslokalen? Op wat voor manier krijgen we daarin meer inzicht? En hoe kunnen we